Susanne Schieck, leraar lichamelijke opvoeding Mytylschool Gabriël
Susanne is geboren in Tegelen, opgegroeid in Grubbenvorst. Een sociale aanpakker met een passie voor sport. Het onderwijs was voor haar aanvankelijk niet de meest logische keuze. Eenmaal op stage veranderde dat wel. Nu geeft ze om en om les op een middelbare school in Weert en bij Mytylschool Gabriël in Den Bosch.
‘Ik vind het heerlijk om een beetje te dollen met die opgeschoten leerlingen van de Mavo, maar ik geniet er net zo van om voor jonge kinderen met een beperking een spelles te geven.’
Van jongs af aan ‘to the max’
Ik heb op een kleine openbare school gezeten met combinatieklassen. Op een gegeven moment kwam ook mijn broertje bij mij in de klas. Ik herinner me dat ik eigenlijk alles leuk vond. Lekker buiten spelen en sporten nog het meest. Mam nam me altijd mee naar volleybal. Dat ben ik vanaf mijn zevende altijd blijven doen. Ik ben echt een teamsporter. Je moet mij niet naar de sportschool sturen. Streetdance of iets dergelijks vind ik wel leuk om te doen, maar spinning of naar de gym daar maak je me echt niet blij mee. Geef mij maar een bal en een competitie. Ik ben een echte teamplayer en wil graag de spanning voelen van winnen of verliezen. Ik was als kind fanatiek en dat ben ik nog steeds. Na de Havo bij de keuze voor een studie twijfelde ik over sportacademie, fysiotherapie of audiovisuele vormgeving. Ook bij de Politieschool ben ik gaan kijken, maar dat vond ik toch te spannend. Uiteindelijk werd het de ALO in Tilburg, wat nu Fontys Sport en Bewegen heet. Ik ben in die tijd ook op kamers gegaan. Een vader van een vriendinnetje had een appartement gekocht, dus dat was gemakkelijk. En veilig. Helaas moest ik er na een jaar weer uit, omdat zij met haar studie stopte.
Bewegen tussen uitdaging en veiligheid
Aan de ene kant zocht ik de uitdaging in sport, aan de andere kant zocht ik de veiligheid en vond ik veranderingen lastig. Ja, toen had ik mijn diploma en vroeg ik me af: wat ga ik nu doen? Ik kan eigenlijk niets anders dan voor de klas gaan staan, dus dat spoor werd het. Ik kreeg eerst 10 uur aanstelling op een school in Dongen. Daarna op een scholengemeenschap in Weert, waar ik ook 10 uur ging werken. Bleek dat ik aan het eind van dat jaar de baan kreeg van de vader van Hans Teeuwen. Die was net zo grappig als zijn zoon. Sindsdien heb ik daar altijd gewerkt. Het was in die tijd nog niet vanzelfsprekend dat je als vakleerkracht bewegingsonderwijs op een basisschool terecht kon.
Stap naar een andere wereld
In 2022 scheurde ik mijn kruisband af, waarna ik in de revalidatie moest en ruim 9 maanden thuis heb gezeten. Inmiddels woonde ik in Uden en hoorde ik eigenlijk maar weinig vanuit school. Daar had ik last van. Toevallig kwam deze baan toen op mijn pad. Een vriendin vroeg of ik misschien interesse had om te komen werken bij Mytylschool Gabriël. Ik reageerde daarop: weet je wel hoe klein veel van deze kinderen zijn? Het leek me niets voor mij om na 20 jaar met al die pubers ineens liedjes te moeten gaan zingen met dat jonge spul. Dat gevoel veranderde echter meteen toen ik hier binnenliep. Lang verhaal kort, ik solliciteerde en werd aangenomen. Ik vond het best eng die eerste periode. Alles was nieuw voor me. In het begin kreeg ik de groepen met een wat hoger cognitief niveau voor de spellessen. Maar zelfs dan moest ik een stapje terug doen. Niet teveel informatie geven. Het inschatten van de beginsituatie is voor iedereen wat zoeken. Ik heb geleerd om te accepteren dat het zo is en dat je geleidelijk zaken aanpast. Op een middag gaf ik zwemles aan kinderen met ernstige belemmeringen. Was ik de hele tijd gespannen. Wat mogen ze wel, wat niet? Gelukkig had ik een ervaren collega die me liet zien dat ik vertrouwen kon hebben. Tegelijkertijd merkte ik hoe dankbaar het is om met deze kinderen te werken. Ook al kunnen ze niet praten, ze laten je voelen dat ze je waarderen. Dat is echt goud. Het verschil met het regulier onderwijs is enorm. Hier kunnen we kinderen alle aandacht geven. Eigenlijk zou ik middelbare scholieren eens hier naartoe willen halen om ze te laten zien hoe bevoordeeld ze zijn en hoe mooi de kinderen met een beperking zijn. Laten zien hoe goed ze het eigenlijk hebben en te laten ervaren dat de wereld groter is dan hun eigen wereldje. Zoiets zou onderdeel van een maatschappelijke stage kunnen zijn vanuit de reguliere middelbare scholen. Dat lijkt me een mooi streven.
Er blijft altijd iets te leren
Ik vind het nog steeds lastig om fouten te maken. Van nature ben ik iemand die de kat uit die boom kijkt. Bij bekenden kan ik heel expressief zijn, maar met vreemden heb ik het tegenovergestelde. Dan ben ik wat onzeker. Ik wil het heel goed doen. Zeker voor deze kinderen. Die terughoudendheid zit vooral in het voorbereiden van mijn lessen, niet zozeer in de uitvoering. Des te fijner voor mij is het dat we hier veel samen doen. Ik durf iets te vragen als het nodig is. Ieder jaar is er een andere groep en een ander lesaanbod, spelles, zwemles, gymles, toestelles, klim- en klauterles en balanceerles. Het is aan ons de taak de lessen zo in te richten dat ieder kind, met welke beperking dan ook er op zijn of haar eigen niveau aan deel kan nemen. Dit schooljaar heb ik voor het eerst (diploma) zwemles gegeven ter voorbereiding op het halen van een diploma, ook weer helemaal nieuw, maar oh zo leuk. De komende jaren wil ik wat meer weten over ziektebeelden en wat kinderen dan wel en niet kunnen. Wat meer kennis krijgen. Je ziet soms niet aan de buitenkant waarom kinderen op deze school zitten. Met de klassen heb ik weliswaar niet zo veel overleg maar ik loop tussentijds wel geregeld bij iemand binnen als ik vragen heb over specifieke leerlingen. Of iemand bijvoorbeeld een koprol mag maken. Elkaar helpen, dat is hier vanzelfsprekend.
Kinderen kunnen ‘lezen’
Voor mij was het verrassend om te constateren dat ik nu juist de kinderen met de meeste ondersteuningsbehoefte het leukste vind om les aan te geven. Dat had ik voorheen niet kunnen bedenken. Dit is eigenlijk uit mijn comfortzone, maar het geeft veel voldoening. Hoe klein de stapjes ook lijken voor mij, voor een kind zijn ze heel groot. Ik zie nu binnen niveau 1 zelfs nog verschillen, waar ik dan op af kan stemmen. Je moet zo’n kind kunnen lezen. Dat maakt dit werk zo leuk. En door mijn werk in Den Bosch sta ik ook anders in mijn baan in Weert. Vanuit Zeeland bij Uden rijd ik iedere maandag en woensdag naar Den Bosch en elke dinsdag en donderdag naar Weert. Dat heeft voor- en nadelen. Je belandt minder snel in een sleur door de afwisseling en komt elke dag weer met hernieuwde energie op je werk. Wel ben ik wat minder betrokken bij de rest van het team in Weert, maar ik zorg er wel zelf voor dat ik bijgepraat wordt.
Dit is werkgeluk
Het speciaal onderwijs bleek veel leuker dan ik van tevoren bedacht had. Die combinatie onderwijs en zorg spreekt me enorm aan. Je mag wel zeggen dat het onderwijs steeds meer vertrouwd voor me is geworden. En het speciaal onderwijs helemaal. Als zo’n klein meisje me in een bewegingsles stralend aankijkt en vol trots zegt: dat heb ik knap gedaan hè. Kinderen zijn zo puur en zo onbevangen. Dat geeft me iedere keer weer energie.
